Voortgezet Onderwijs

Gymnasium
(adsbygoogle = window.adsbygoogle || []).push({}); (adsbygoogle = window.adsbygoogle || []).push({});

Sinds de invoering van de Mammoetwet in 1968 is het gymnasium een vorm van vwo: de gymnasium-exameneisen zijn gelijk aan die van het atheneum, het vwo zonder klassieke talen. De keuze van examenvakken verschilt echter: op het gymnasium doet iedereen eindexamen in ten minste één klassieke taal.

Tot en met 1998 deden gymnasiumleerlingen (of “gymnasiasten”) eindexamen in een zelfgekozen vakkenpakket, dat zowel alfa- (talen), bèta- (exacte wetenschappen) of gammavakken (economie) kon bevatten, maar altijd ten minste één klassieke taal (Grieks of Latijn). Wanneer men beide klassieke talen deed, heette de richting “gymnasium α”, anders “gymnasium β”.

Sinds de nieuwe inrichting van de tweede fase (de laatste drie leerjaren) doet iedere leerling eindexamen in een van de vier profielen: Cultuur & Maatschappij, Economie & Maatschappij, Natuur & Gezondheid en Natuur & Techniek.

In Nederland waren er in 2002 ruim 56.000 gymnasiasten (ruim 6% van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs; ongeveer een kwart van de vwo-leerlingen). Veel Nederlandse scholengemeenschappen en lycea hebben een gymnasiumafdeling (in 2002 waren het er 287). Daarnaast bestaan er in Nederland 37 categoriale (zelfstandige) gymnasia.